Landschap, Weblog

De plattelandswoning nader bekeken

De afgelopen weken heeft tweede Kamerlid Ruud van Heugten de aandacht getrokken met zijn initiatiefnota “Beter wonen op het platteland”. In diverse reacties in de pers werd enthousiast geregeerd op dit voorstel. De makelaars waren er bijvoorbeeld erg blij mee omdat het een oplossing biedt voor onverkoopbare woningen in het buitengebied. Maar is dit nu werkelijk een goed idee?

Ik ben het er mee eens dat de huidige regelgeving tot knelpunten leidt. Ik ben het er ook mee eens dat dit vervelende financiële consequenties heeft voor eigenaren. Ook ben ik vaak een voorstander van pragmatische oplossingen. Maar, ik heb grote twijfels bij dit initiatiefvoorstel. Naar mijn idee worden er twee belangrijke denkfouten gemaakt in dit initiatiefvoorstel. In dit artikel zal ik toelichten wat er naar mijn idee niet klopt.

De eerste denkfout is de focus op de huidige eigenaar of gebruiker. In de inleiding van het voorstel worden diverse situaties geschetst waarin onze huidige regelgeving tot knelpunten leidt. Hoewel er verschillende argumenten door elkaar lopen (behoud van cultuurhistorie, kapitaalsvernietiging) wil ik me hier concentreren op het argument dat ‘de bewoner de eventuele overlast van een agrarisch bedrijf voor lief nemen’. Natuurlijk zijn er veel mensen die zich aanpassen aan het leven op het platteland. Zij weten dat geur en het geluid van tractoren horen bij de rurale idylle. Er zijn er ook die met de huidige wet in de hand hun agrarische buurman er op wijzen dat hij te veel overlast veroorzaakt. Beide standpunten zijn goed verdedigbaar.

Onze ruimtelijke ordening is dan ook niet gebaseerd op de mening van degene die toevallig op dit moment eigenaar of bewoner is. Ons stelsel richt zich op de plek en de kwaliteit, de mogelijkheden en de onmogelijkheden van die plek. Dit ongeacht degene die op die plek woont. We hebben hiervoor algemeen geldende regels die publiekrechtelijk en langs democratische weg zijn vastgelegd. Naar mijn idee een eerlijk systeem dat (voor zover mogelijk) helderheid biedt aan alle betrokkenen. Helaas ook een systeem dat niet voor iedereen positief uitpakt. Maar, dat laatste wil niet zeggen dat we dan maar uit moeten gaan van de mening van een huidige bewoner en van wat hij of zij acceptabel vindt. De denkfout is daarom dat niet uitgegaan moet worden van de wensen en gevolgen van de persoon maar van die van de plek.

De tweede denkfout zit ‘m in de getrapte normering die wordt voorgesteld. We hebben (opnieuw langs democratische weg, dus voor iedereen geldend) afspraken gemaakt over de milieukwaliteit die wij minmaal willen garanderen voor woningen. Dit hebben we bijvoorbeeld gedaan voor de geur die afkomstig is van agrarische bedrijven. Blijkbaar vinden we met zijn alleen dat vee een geur verspreid die zich niet verdraagt met een woonomgeving. We hebben dit dan ook vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij.

Zoals hiervoor al genoemd is de perceptie van geur voor iedere persoon verschillend. Wat de een ervaart als stank is voor de ander onderdeel van de beleving van het platteland. In de Wet geurhinder en veehouderij is daarom geprobeerd de geurbelasting te objectiveren. Dit wordt gedaan door geur uit te drukken in ‘odeurunits’. Daarbij hebben we normen vastgesteld voor de hoeveelheid geur die we acceptabel vinden voor woningen.

Zoals bij iedere norm zijn er situaties waarin de gestelde grens overschreden wordt. Als de woning op voldoende afstand van een agrarisch bedrijf staat is de norm geen probleem. Staat de woning dichtbij, dan is de norm wel een probleem. Erg logisch allemaal. Maar, in dit initiatiefvoorstel lees ik dat we een norm alleen hanteren in die situaties waarin het geen problemen oplevert. Op het moment dat we de grens van deze norm bereiken, dan gaan we hem niet toepassen. Sterker nog, we gaan een nieuwe (wettelijk vastgelegde) norm introduceren. Een heel vreemd voorstel natuurlijk. Hiermee maak je namelijk de norm zelf volledig overbodig. Het zou daarom zuiverder zijn geweest om voor te stellen gewoon helemaal geen geurnormering te hanteren in het buitengebied. Maar ik denk niet dat er een meerderheid is te vinden in de tweede kamer voor een dergelijk voorstel. De denkfout is dus dat je een norm niet moet hanteren als je er vanaf gaat wijken op het moment dat de norm van toepassing is. Daarmee maak je de norm overbodig.

Overigens denk ik dat geur voor de langere termijn niet de beperkende factor zal zijn voor het combineren van wonen en agrarische bedrijven. Door nieuwe technieken als luchtwassers zal de geuremissie aanzienlijk worden teruggedrongen.

Geluid daarentegen, lijkt me een veel groter probleem. Door de schaalvergroting neemt het aantal transportbewegingen op en naar het agrarische bedrijf toe. Ook toepassingen op het gebied van duurzame energie, zoals mestvergisting, zorgen voor een concentratie van transportbewegingen op agrarische bedrijven. Deze transportbewegingen leveren een geluidsbelasting op die naar mijn idee niet te combineren is met de functie wonen.

Ik stel daarom voor dit initiatiefvoorstel te beschouwen als de start van een discussie maar inhoudelijk niet te volgen. Deze discussie richt zich dan op de toekomst van het platteland en de transitie van agrarisch productielandschap naar en multifunctionele ruimte waarin functies gecombineerd worden. Een discussie die waarschijnlijk nooit afgerond zal zijn omdat de omstandigheden (wensen van eigenaren, technieken, publieke opinie etc.) continue veranderen. Als planoloog met een voorliefde voor het buitengebied ben ik stiekem wel blij met deze continue discussie.

Maar, alleen zeggen dat je het ergens niet mee eens bent is natuurlijk niet voldoende. Ik kan me best voorstellen dat de heer Van Heugten nu zegt: “Leuk dat je het niet eens bent met mijn voorstel, maar ik ruil mijn idee graag in voor een betere”. Daarom hierbij een tegenvoorstel.

Zoals gezegd zijn er nu eenmaal locaties waar ik geen woningen zou willen toestaan. Het ongelukkige feit is echter dat er wel woningen staan op die locaties, te weten de voormalige agrarische bedrijfswoningen c.q. afgesplitste tweede bedrijfswoningen. Een probleem voor de eigenaar, dat weliswaar meestal niet ontstaan is door de overheid, maar de overheid hoeft ook niet dwars te gaan liggen om tot een oplossing te komen.

De oplossing zit ‘m echter niet in het aanpassen van onze milieunormen maar in het aanpassen van de locatie. Wat we kunnen doen is het ‘recht’ om een woning te bouwen verplaatsbaar maken. Ik geef toe, een oplossing die niet zondermeer eenvoudig is. Je moet immers een passende locatie vinden, eigenaar kunnen worden van die locatie en vrijwel altijd moet je een bestemmingsplanprocedure doorlopen (met de bijbehorende onderzoeken). Maar, het is zeker geen onmogelijke oplossing.

Het vraagt echter wel om een goede samenwerking tussen de eigenaar van de ‘probleemwoning’, de gemeente en in sommige gevallen de provincie. Deze samenwerking vraagt ook om realistische afspraken over de financiële randvoorwaarden. Wanneer een gemeente of een provincie van mening is dat deze probleemwoning meer is dan het probleem van de eigenaar, zou je zelfs een subsidiemaatregel kunnen overwegen.

Het resultaat van deze oplossing is echter wel dat we een beleid voeren waarbij we woningen realiseren op locaties die geschikt zijn voor woningbouw. Dit in plaats van het kunstmatig aanpassen van onze milieunormen om een bestaande onwenselijke situatie in stand te houden.

Door: Vincent Brus

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

One Response to “De plattelandswoning nader bekeken”

  1. On 15/06/2010 at 8:06 am Tom responded with... #

    Het verplaatsen van woningen naar gebieden waar geen hinderlijke milieucirkels liggen zou op basis van een goede ruimtelijke ordening wel eens ongewenst kunnen zijn. Bovendien voel ik er weinig voor om zelf gecreëerde problemen, als een tweede bedrijfswoning die aan een niet-agrariër is verkocht, te belonen met een bouwtitel op een andere plek.

Add your response